Om alle inhoud te kunnen zien hebt u de actuele versie van Adobe Flash Player nodig.

startpagina  Beelden Agenda Agenda nieuw C.V Contact 2000-2004 2005-2009 2010-2013 2014-2016 2017 Publicaties Lijst Publicatie 2003 Publicatie 2006 publicatie 2010 

Publicatie 2006

Tekst: Thimo te Duits.Uit: Mieke de Groot, Met voorbedachten rade. Van Spijk Art PojectsDe beelden van Mieke de Groot zijn het best te omschrijven als geëxtrudeerde objecten. Deze technische term wordt gebruikt voor metalen of kunststof profielen die onder hoge druk door een mal worden geperst. De beelden gaan over een motief dat zich in de ruimte volgens een van tevoren vastgestelde wetmatigheid ontwikkelt. Maar de verwijzing moet niet al te letterlijk worden genomen want de objecten van De Groot ontstaan niet met behulp van industriële hogedruktechnieken. De sculpturen worden namelijk met de hand gemaakt. Ook is haar werk niet letterlijk te vergelijken met oneindige strekkende meters profiel omdat de lengte van haar beelden in harmonie is met de dikte en de hoogte ervan. Bovendien zijn de vormen gebogen of getordeerd – en soms zelfs beide - waardoor ze een grote ruimtelijkheid bezitten en in zekere mate refereren aan de potten die zij in het begin van haar carrière maakte.Alle beelden van Mieke de Groot hebben een duidelijk gedefinieerde binnen- en buitenkant en zijn zonder uitzondering gemaakt van haar favoriete materiaal: klei. Het is een materiaal dat zich tijdens het verwerken goed laat corrigeren. Het maken van keramiek is een activiteit die haar, zelfs na een kwart eeuw, nog dagelijks grote voldoening schenkt. Want haar achtergrond als keramist wil en zal De Groot nooit verloochenen. Het bloed kruipt immers waar het niet gaan kan.In de 25 jaar dat Mieke de Groot werkzaam is, is een stapsgewijze ontwikkeling een essentiële factor in haar oeuvre. Een nieuw beeld komt steevast voort uit de vorigen en zal, zo blijkt achteraf, ook weer de voorbode zijn voor een volgend werk. Maar ver vooruitkijken en drastische veranderingen in haar beeldtaal is bijna ondenkbaar. Het past niet bij haar persoon en haar manier van werken. Het oeuvre van Mieke de Groot is een logisch, lineair verhaal van vormen die elkaar in steeds kleine variaties opvolgen. Wel zijn er tussen vroeg en later werk duidelijke verschillen te onderkennen, maar dat kan ook niet anders over een zodanig lange periode. Opvallend is dat de recente autonome beelden in tegenstelling tot de eerste potten geen standvlak meer hebben. De beelden balanceren en vinden rust op dat punt waar de vorm in evenwicht is. Omdat het raakvlak zo klein mogelijk is, lijken de beelden te zweven. Het is net of massa geen rol meer speelt en de zwaartekracht wordt ontkend. Zelf noemt zij dit werk Rolling Stones maar een beeld zal uiteindelijk zonder titel worden gepresenteerd. Een volgnummer is het enige identificatiemiddel. Een ander verschil is dat het eerste werk van Mieke de Groot meer aansluit op de keramische traditie dan het huidige. De huid van weleer, opgebouwd uit een opeenstapeling van verschillende gekleurde en deels weg-gepoetste lagen sinterengobe, heeft plaats gemaakt voor een gladdere, meer monochrome huid. Alleen als de vorm er nu echt om vraagt, wil zij nog wel eens teruggrijpen op haar oude polychromie. Maar meestal volstaat één kleur. Hoewel het palet, dat zij gebruikt, uitgebreid is - met onder andere roze, grijs, terra en groen – kiest De Groot bijna altijd voor een palet van blauwtinten variërend van lichtblauw, via diepkobalt naar een meer donkere indigotint. Blauw doet het volgens haar vooral goed op haar recente werk. De Groot gebruikt het vooral voor haar beelden met veel facetten of scherpe punten.In de loop der jaren zijn de beelden van Mieke de Groot steeds plastischer geworden. Aan het eindvan de jaren ’80 had haar werk gladde wanden. In het midden van de jaren ‘90 introduceerde Mieke de Groot golven. Tegenwoordig maakt zij meer puntige objecten, waardoor het werk lijkt op vormen uit de natuur als opgerolde gordeldieren, de schil van wilde kastanjes of zee-egels. Het meest recente werk karakteriseert zij zelf als venijnig, alsof haar objecten menselijke karaktertrekken zouden kunnen bezitten. Karakteristiek voorhaar nieuwe keramische beelden is bovendien het contrast dat is aangebracht tussen de binnen- en buitenkant van de beelden. Soms doet zij dat met een andere kleur, vaker door de wanden een heel verschillende vorm te geven.Het vroegste werk uit 1985, dat direct na haar opleiding aan de Rietveld Akademie ontstond, bestond uit potten die op één en later zelfs op drie standvlakken rusten. Ze waren niet gedraaid maar met de hand opgekneed waarbij de wand naar één kant overhelt. Geleidelijk aan werden de vormen sprekender. Het hellen werd steeds nadrukkelijker waardoor de potten het silhouet van wilde beesten lijken te hebben, zoals we dat kennen van prehistorische muurschilderingen. Deze associatie wordt versterkt door de aardse kleuren die zij ter afwerking voor deze potten gebruikt heeft. Gaandeweg werd de mondopening kleiner, om uiteindelijk helemaal te verdwijnen. Dat wegwerken van de opening, op het eerste gezicht een onbetekenende daad, bleek verstrekkende gevolgen te hebben voor de beleving van Mieke de Groot als kunstenaar. Zij moest zich nu niet meer als pottenbakker maar als beeldhouwer manifesteren. Die inhoudelijke keuze leidde tot de beslissing om dan ook maar het holle volume helemaal te ontkennen en beelden te maken die recht oprijzen vanuit vier standvlakken. Er ontstonden organisch ogende, symmetrisch vormgegeven objecten op poten waarbij standvastigheid een heel nadrukkelijke karaktertrek werd. Terwijl bij de vroege potten juist een sterke suggestie van beweging zichtbaar was, gedroegen de vierpoters, zoals zij ze zelf noemt, zich inert doordat ze bijna verankert op hun plaats bleven staan. Het belangrijkste beeldende element is een verbindend middenstuk dat in de loop van de tijd veranderde van een ijle verbindingsboog in een blok. De eerste vierpoters lijken daarom op insecten, de latere roepen eerder associaties op met kiezen of flatgebouwen.De fascinatie voor een hol volume met een zichtbare binnenkant bleek toch een onmisbare factor te zijn voor Mieke de Groot. Zij keerde in 1997 terug naar ruimtelijke, cilindervormige objecten. Ook deze bleven, net als de vierpoters erg statisch. De suggestie van beweging kwam weer terug toen zij de dubbel-wandige cilinders op hun kant ging neerleggen. De hoefijzervormige beelden, die qua vorm verwant waren aan magneten, hadden echter een probleem. Ze moesten rechtopstaand gemaakt worden terwijl de uiteindelijke vorm onder een hoek van 90 moest worden beoordeeld. In haar hoofd moest zij het werk steeds kantelen, iets wat in het werk- en beoordelingsproces toch moeilijk bleek. Om een scherpe vorm te garanderen stapte zij over op het werken met drukmallen. Intuïtie maakte plaats voor ratio. De beelden worden sindsdien met voorbedachten rade gemaakt.Hoewel techniek voor haar slechts een middel is, bleek dat de ommezwaai verstrekkende gevolgen had voor haar werkwijze. Vroeger ontstond de vorm al werkend en corrigerend tijdens het opkneden. Nu werkt Mieke de Groot eerst haar idee uit in polystyreen en corrigeert de vorm net zo lang tot zij tevreden is over het resultaat. Dit ruimtelijke model dient vervolgens als vorm voor een gipsen mal waarin klei wordt gedrukt. Soms zijn verschillende geschakelde mallen nodig om het hele beeld te maken.De beelden van Mieke de Groot ontstaan via een logisch mathematisch ordeningsproces waarbij doorsneden met een vooraf bepaald profiel als reeksen achter elkaar worden geplaatst. Bij rechte objecten gebruikt Mieke de Groot platte segmenten. Bij gebogen vormen zijn de delen uit parten opgebouwd. Als de vorm getordeerd is zijn de segmenten wigvormig achter elkaar geplaatst. Aan de vaak complex ogende beelden ligt dus een relatief eenvoudig ordeningsprincipe van segmenten ten grondslag. Echt complex worden de afzonderlijke onderdelen daarentegen wel als het object verschillende bewegingen tegelijk maakt. Dan is het een hele puzzel om het object logisch uit segmenten op te bouwen.De laatste tijd wordt het denken in mathematische reeksen dus steeds belangrijker. Het is of de logica achter de beelden bijdraagt aan de schoonheid ervan. Daarmee sluit haar werk inhoudelijk aan op veel kunst en architectuur uit de late 19de en vroeg 20ste eeuw. Onder invloed van de theosofie werd toen mathematica en harmonieleer ingezet om tot een hogere esthetica te komen. Dat denken kwam voort uit bestudering van de natuur en de kosmos. Het bleek dat aan de opbouw van planten, schelpen, mineralen en zelfs aan die van atomen en het heelal een grote wetmatigheid ten grondslag lag. Ook veel conceptuele beeldhouw- en schilderkunst uit de jaren ’60 en ’70 maakt gebruik van logische opgebouwde reeksen. Het gebruik ervan was toen uitgesproken compromisloos. Zelf geeft ze aan dat beeldhouwers als Carel Visser, Sjoerd Buisman en Norman Dilworth haar fascineren. Maar ze zijn uiteindelijk niet van grote invloed op haar eigen werk. Dat komt omdat haar uitgangspunt, het profiel dat zich in de ruimte ontwikkelt, niet dogmatisch is. De beelden komen voort uit een combinatie van wetmatigheden en intuïtieve keuzes. Het zijn beelden met een eigen karakter en handschrift.Thimo te DuitsConservator Museum Boijmans Van Beuningen, RotterdamDevelopments in time and spaceMieke de Groot’s sculptures are best described as extruded objects. This technical term is used for metal or plastic profiles that are forced through a mould at great pressure. The sculptures depict a motif that develops in space according to pre-established rules. However, this reference should not be taken too literally because De Groot does not make her objects with the help of industrial high-pressure techniques. In fact her sculptures are made by hand. Neither does her work stand literal comparison with the endless extrusions produced by industrial processes because the length of her pieces is in harmony with their width and height. Furthermore, her forms are bowed or twisted – sometimes both – giving them great spatial presence and a connection with the pots she made at the beginning of her career. All of Mieke de Groot’s sculptures have a clearly defined interior and exterior. They are made without exception from her favourite material – clay – a material that permits adjustment during the process. Making ceramics is an activity from which De Groot derives pleasure every day, even after a quarter of a century. She will never disavow her background as a ceramicist; it’s in her blood. In the twenty-five years that Mieke de Groot has been active, a step-by-step development has been an essential factor in her work. Each new sculpture is invariably born of its predecessor and will in turn herald its successor. However, long-term forward planning or drastic changes in her visual language are almost unthinkable. These fit neither her personality nor her working process. Mieke de Groot’s oeuvre is a logical, linear history of forms, which proceed one another in increasingly small variations. There are however, clearly discernible differences between the early and late work, but that is to be expected over such a long period of time. The most evident difference between the recent sculptures and the first pots is that they no longer have a foot or base but instead find their own balance. Because the point of contact is so small the sculptures appear to float. It is as if mass no longer plays a role and gravity is denied. She calls these works Rolling Stones, however each piece is presented just with a number rather than a title.Another difference is that De Groot’s early work has a greater connection with the potters’ tradition than does the current work. The skin formerly built up of stacked, variously coloured and partially polished layers of sinter has made way for a smoother, more monochrome surface. She will occasionally return to her old polychrome approach if a form really demands it but for the most part a single colour is sufficient. Although her palette is broad and includes pink, grey, terracotta and green, De Groot now nearly always employs a shade of blue ranging from light blue via deep cobalt to a darker indigo. She believes that blue best suits her recent work especially in those sculptures with many facets or sharp points. Over the years Mieke de Groot’s sculptures have become increasingly more plastic. At the end of the 1980s her pieces had smooth walls. In the 1990s she introduced waves. She now makes more pointed objects that resemble natural forms such as rolled-up armadillos, chestnut cases or sea urchins. She characterises her most recent work as ‘vicious’ as if her objects could possess human traits. An important characteristic of her new ceramic sculptures is the contrast between the interior and the exterior, sometimes achieved by means of a colour contrast, more often by giving the walls a completely different form. Her earliest work from 1985, made directly after her graduation from the Rietveld Akademie, consisted of pots that rested on a single foot. These later evolved into pots with three feet. They were not thrown but were built up by hand, whereby the wall leaned to one side. Gradually the forms became more expressive. The slant became increasingly marked so that the pots appeared to take on the form of wild animals in prehistoric wall paintings. The earthy colours she used to finish the pots strengthened this association. Little by little the rim of her pots became smaller and smaller until it eventually disappeared. While the removal of the opening at first appeared to be of little importance, it has had far-reaching consequences for Mieke de Groot’s experience as an artist; she was no longer a potter but a sculptor. This inherent choice led to the decision to abandon the hollow form entirely and to make sculptures that rise vertically from four feet. They are organic, symmetrically designed objects on feet with an emphatically steadfast character. Whereas the early pots have a strong suggestion of movement, the ‘quadrupeds’ as she calls them appear inert, anchored to the spot. The most important visual element is a linking mid-section, which evolved over time from a thin arc into a block. As such, the first quadrupeds are similar to insects, whereas the later pieces call to mind molars or blocks of flats. Eventually De Groot’s fascination for hollow volumes with visible interiors got the better of her. In 1997 she returned to spatial, cylindrical objects. However, even these seemed somewhat static. The suggestion of movement returned with she laid the double-walled cylinders on their side. However, the horseshoe-shaped sculptures, which bore a formal similarity to magnets, had a problem. They had to be made upright whilst the final form was subject to a 90 angle. De Groot continually had to tilt things in her head, which proved very difficult for her working and decision-making process. In order to guarantee a sharp form she turned to the extrusion technique. Intuition made way for rationality. Since then the sculptures have been made according to pre-established rules. Although technology is merely a tool for De Groot this radical change had far-reaching consequences for her working method. Whereas previously her forms had emerged during the construction process, now De Groot works out and corrects the form in polystyrene until she is satisfied with the result. This model then serves as the form for a plaster mould in which the clay is pressed. Sometimes a series of mould is required to make an entire sculpture. Mieke de Groot’s sculptures originate from a logical, mathematical arrangement using sections with a pre-determined profile that are placed alongside each other. For straight objects De Groot uses flat segments, for bowed forms she employs various parts and for twisted forms she wedges the forms together. Thus these apparently complex sculptures are based upon a relatively simple arrangement of segments. However, those objects with movements in more than a single plane do require complex components. In such cases the construction is like a puzzle. In her recent work, thinking in mathematical series has become increasingly more important. It is as though the logic behind the sculptures contributes to their beauty. In this respect De Groot’s work has a connection with much art and architecture of the late nineteenth and early twentieth century in which, under the influence of theosophy, mathematics and the theory of harmony were employed to reach a higher aesthetic. This philosophy came from a study of nature and the cosmos. It became apparent that the structure of plants, shells, minerals and even that of the atoms and the universe were highly systematic. Much conceptual sculpture and painting of the 1960s and 1970s was also based upon and uncompromising, logically constructed series. De Groot admits that she is fascinated by the work of sculptors such as Carel Visser, Sjoerd Buisman and Norman Dilworth; however, they have not actually exercised a great influence on her work. That is because the basis of her work – a profile that develops in space – is not dogmatic. The sculptures emerge from a combination of systematisation and intuitive choices. They are sculptures with a unique character and signature. Thimo te DuitsVertaling Nl/EngGerard Forde



Agenda

Publicaties

Beelden

C.V

Contact

Startpagina

Beelden

Mieke de Groot